4 juli 1823 — Dag 7

Sieboldblog muntok

'De Reede van Müntok'

Iedere dag een stukje uit het dagboek van Siebold van de reis van Batavia naar Japan in het jaar 1823.

4 juli 1823 — Dag 7
Bij het aanbreken van de dag werden de zeilen gehesen en kregen we, na enkele uren, de bank en klip Karang Bram in zicht, die we passeerden op een afstand van een geografische mijl. Op de klip lag een wrak van een brik die daar kortgeleden op was gestrand. We zelden de vierde hoek van Sumatra voorbij waar we de monding van de rivier van Palembang konden onderscheiden. Deze aanzienlijke rivier van Sumatra, die ontspringt in het gebergte dat Palembang in het westen en zuidwesten van Bekoelen scheidt en verschillende, tamelijk grote zijrivieren heeft, wordt vanaf zijn oorsprong tot aan de stad Palembang de Musie genoemd. Bij Palembang (2°58′ zuiderbreedte en 105° oosterlengte) heeft hij een breedte van 1200 voet [400 m] en een diepte van 5 tot 7 vadem [9.5-13.0 m]. Hij zou tot bijna aan zijn oorsprong te bevaren zijn, en eb en vloed zijn waar te nemen tot een dagreis boven de stad. De vloed is slechts merkbaar van midden mei tot midden november en gedurende de rest van het jaar is alleen de eb merkbaar. Bij Palembang is de vloed 10 tot 16 voet [3-4,8 m] hoog. Voor grotere schepen is het daarom aan te raden de rivier bij vloed binnen te zeilen. De Musie verdeelt zich onder Palembang in drie armen, de belangrijkste hiervan draagt tot aan zijn monding (2°15′ zuiderbreedte) de naam Sunsang. Hij kan door oorlogsschepen bevaren worden, maar ten tijde van de eb is de monding verzand. De westelijke zijarm heet Pontian en bij zijn monding, waar hij samenvloeit met de Lalang en daar veel breder is dan de Sunsang, wordt hij Banjer assem, dat betekent ‘zout water’, genoemd. Een zijarm van de Pontian vloeit weer samen met de Sunsang vlak bij zijn monding. De oostelijke zijarm van de Musie is minder groot en wordt Upang genoemd. Hij is, net als de Pontian niet bevaarbaar voor grote schepen en heeft daarom op Engelse kaarten de naam “False Entrance” .

Wij waren ter hoogte van Müntok en voeren bij een diepte van 5 tot 6 vadem [9,1-10,9 m] over de bank, die zich van oost naar west uitstrekt voor de rede van deze plaats, en lieten tegen de avond het anker vallen voor het fort van Müntok. Kolonel de Sturler ging onmiddellijk met de kapitein aan land om het inlaten van het tin die hier aan boord genomen moest worden, te bespoedigen.

Het was een heerlijke avond, en de frisse, geurige landlucht die over de rede kwam, verkwikte ons. Vanaf het bovendek konden we genieten van een prachtig uitzicht. Het plaatsje Müntok, dat zich aan de voet van de Menombing trapsgewijs verheft, ligt op een zeer bekoorlijk plekje: Ieder huis is omgeven door struiken met een levendig mengsel van kleuren, en langs de heuvels en de steile hellingen van de uitlopers van de Menombing staan weelderige bossen met enkele uitstekende palmen die het plaatje van een tropisch landschap completeren. De huisjes zien en vriendelijk uit en de daken van het fort blinken rood door het licht van de avondzon, terwijl de heuvels op de achtergrond zacht overgaan in de onbewolkte horizon. Dit alles maakte dat wij ons verheugden op een aangenaam verblijf op Banka en we kregen veel zin om aan land te gaan.


Het is dit jaar precies 200 jaar geleden dat Siebold aankwam in Japan. Hij vertrok op 28 juni 1823 vanaf Batavia voor de zes weken durende overtocht. Zijn verslag van deze reis werd voor het eerst gepubliceerd in 1897, in de heruitgave van zijn monumentale werk Nippon. Ter gelegenheid van de tweehonderdste verjaardag van deze reis zullen wij gedurende de komende zes weken zijn reis volgen aan de hand van dit reisverslag.


Bron: Siebold, Ph. Fr. von., Nippon. Archiv zur Beschreibung von Japan und dessen Neben- und Schutzländern Jezo mit den südlichen Kurillen, Sachalin, Korea und den Liukiu Inseln. Herausgegeben von seine Söhnen. Würzburg und Leipzig, 1897.

Vertaling Martien J. P. van Oijen

Lees verder over Siebold