- Siebold
- De Hofreis van 1826, door Martien J.P. van Oijen
- Dag 20 (maandag 6 maart 1826)
Dag 20 (maandag 6 maart 1826)
Lithografie van de zoutziederij bij Hibi【日比】naar een schildering van Kawahara Keiga, uit 'Nippon' (Universiteitsbibliotheek Leiden)..
Siebold
In de ochtend van de 6de maart ging ik met Dr Bürger aan land, waar ik me bezighield met het opzoeken van enkele planten en Bürger met het onderzoek van de gesteldheid van de bergen. De vegetatie is hier op dit schiereiland nog in diepe slaap, en ik vond naast een Tlaspi [Thlaspi【グンバイナズナ】] geen enkele bloeiende plant - bovendien zag ik maar weinig bekende planten. Enkele Quercus soorten, Eurya, een mij onbekende Potentilla. De bosjes bestonden, net als op het eiland Jasirosima【屋代島】, uit Pinus en Quercus serrata met Bambus gemengd met enkele van de bovenvermelde planten; aan het strand vond ik buiten enige verdorde grassen Statice limonium, Morus papirifera, een Chonopodium virgatum Th. en rozenstruiken. De huizen waren versierd met Nandina, Cycas, Bambus.
Tussen Mukohibi【向日比】en Hibi【日比】, zo heten die hier zeer mooie liggende dorpen, ligt een zoutziederij【塩田】. Het zeewater wordt (na het passeren van een met een muur van granietblokken aangelegde sluis) 24 uur lang aangebracht op een alleen met fijn grijs zand bedekt zeer uitgebreid gevlochten filter met vierhoekige afwateringsgaten –Hierna wordt het gekookt in ketels en voor de kristallisatie in met metselwerk beklede kuilen gedaan. – Zie afbeelding1 Hier leek mij de afstand tot het eiland Sikoku【四国】het kleinst, volgens opgave van de ingezetenen 3 Japanse mijlen. Ik dacht hier enige nuttige observaties met het kompas te kunnen maken, omdat de bedekte hemel mij verhinderde lengte en breedte metingen te doen. Mukohibi【向日比】en Hibi【日比】zijn zeer mooi gebouwde dorpen, en het voorkomen van de inwoners en de bouwstijl van de huizen wijst op enige welstand. De inwoners staarden ons zeer nieuwsgierig aan; ik hoorde dat hier nog nauwelijks Hollanders waren geweest. Na een oponthoud van enige uren verlieten we deze kust met een kleine buit aan naturaliën. Bij het vertrek zag ik een slimme manier om Sepia’s te vangen【イカ釣り】. Men had namelijk (grote) slakkenhuizen bevestigd aan strotrouwen, die men dan in grote hoeveelheden in zee hangt, waar die Sepia’s dan inkruipen en zo, samen met hun vermeende woonhuizen, gevangen worden. Wij werden bij tegenwind en tegenstroom met ongeveer dertig sleepboten uit de bocht van Mukohibi【向日比】 gebracht op uitdrukkelijke wens van het opperhoofd om redenen die ik te zijner tijd uit de doeken zal doen, – maar toen we door grote inspanningen van de roeiers nauwelijks een halve Japanse mijl vooruit gekomen waren, kwamen herhaaldelijk verzoeken naar het opperhoofd om toch de onmogelijkheid van een voortzetting van onze zeereis in te zien, bij het daar aan verbonden gevaar in de duistere nacht op een klip te lopen, het anker te mogen laten vallen hetgeen uiteindelijk na veel onenigheid is gebeurd. – [ik zal een grote strijd moeten leveren met mijn Europese reisgenoten voor het laten doorgaan en de gunstige uitslag van mijn onderzoekingen. – Maar “Si illanitur orbis impavidum feriat ruinae”[ De onverschrokkenen zullen standhouden te midden van de ruïnes. Horatius, Oden III, 3.]
----------------------------------------
1 [ontbreekt – Trautz]
De Sturler
’S ochtends om 8 ure zegde mij den Opp.Tolk【大通詞】, dat er boegseer Vaartuigen zouden komen om ons voort te trekken. Om 10 uren echter, nog geen dier Vaartuigen zijnde aangekomen, liet ik den Opp.Tolk【大通詞】roepen, die op mijnen vraag deswegens, volgens Zijne gewoonte voorwendde dat de boegseer vaartuigen reeds vroegtijdig waren besteld. Ik zegde hem, dat die Vaartuigen door de Landsheer geleverd moetende worden, reeds voor langen, zouden zijn aangekomen indien ze werkelijk besteld waren, doch dat ik reeds lange en onder andere gister bij de voorgenomen Ankering te Tomo【鞆】duidelijk ingezien had dat hij ons aan boord zocht te houden, omdat de vertering minder dan aan Land is, dat ik moede was mij door zijnen leugens en bedrog te laten misleiden, dat ik mij over de mishandelingen gedurende de reis ons aangedaan zou beklagen. Hij trachtte zich door allerlei uitvlugten te disculpaeren [verontschuldigen], ik zegde hem dat ik wilde vertrekken en hij ging heen, om zoals hij voor gaf nogmaals de vaartuigen te ontbieden. — Omstreeks den middag kwamen zes en zeven dier vaartuigen, in stede van 30 die men voorgaf besteld te zijn, zonder dat nogtans enige toebereidselen tot vertrek wierden gemaakt. – Maar om half een ure kwam een der mindere Tolken【通詞】mij zeggen dat de Wind te sterk en het Vaarwater gevaarlijk was, zoo dat wij niet konden vertrekken en verlangde mijn gevoelens daar over te weten. Ik zegde dat ik die boodschap wel verwacht had, dat hij den Opp.Tolk kon zeggen, dat ik ze vernomen had. – Eenigen tijd daarna liet ik den Opp.Tolk【大通詞】andermaal roepen en gaf hem mijn ernstig misnoegen over zijn handeling te kennen, en zegde, dat daar er genoegzaam geen wind was, ik de reis zou willen voortzetten: Hij zegde dat de kapitein gevaar daarin steldde en vroeg mij of ik het vragen wilde. Ik antwoordde dat ik weg wilde en de verantwoording gerustelijk op mij durfde nemen, waarop hij heen ging. – en weinig tijds daarna mij liet weten dat het anker zou geligd worden, en omtrent ten half twee Ure wierden wij geboegseerd, doch vorderden maar weinig en omtrent Vier ure liet mij de Opp[er] Tolk【大通詞】weten dat de wind tegen en te sterk zijnde, de schipper niet verder durfden varen. Ik liet hem in antwoord zeggen, dat ik zulks wel verwacht had, dat de Schipper moest weten wat hij te doen had, doch dat ik hem verzocht mij met diergelijke boodschappen niet meer lastig te vallen als slechts uitvluchten zijnde om ons langer in de Bark te houden. — Weinig tijds daarna gingen wij dicht bij onze laatste ligplaats wederom ten Anker.
Van Overmeer Fisscher
Niets bijzonders.
De Villeneuve
Niets.