Navigatie linkjes overslaan en naar de inhoud gaan.
logo
icon-dutch-line
icon-english-line
icon-japanese-line
icon-german-line
Bezoekersinfo
Collectie
Over het museum
Kinderen en Jeugd
Bezoekersinfo
Plan je bezoek
Tickets
Tentoonstellingen
Activiteiten
Arrangementen
Collectie
Collectiedatabase
Verhalen
Siebold
Japan
Over het museum
Over ons
Organisatie
Nieuws
Pers
Japanmarkt
Nieuwsbrief
Steun ons
Contact
Kinderen en Jeugd
Op bezoek
Nu te zien: Anaïs López!
Basisschool
Middelbare school
Menu openen
Collectie
Collectiedatabase
Collectiedatabase
Zoek binnen categorie
Alles
Kunstenaars
Titel
Uitgever
x
Sakanaya Eikichi 魚屋栄吉
De Taiko-brug bij Meguro en de Zonsondergangheuvel
Takenouchi Magohachi (Hōeidō) 竹内孫八 (保栄堂)
Shimada: de Suruga-Oever van de Ōi-river
Enomotoya Kichibei (Hōeidō) 榎本屋吉兵衛 (豊栄堂)
Verscheidene groepen van reizigers passeren elkaar tijdens hun oversteek van de Ōi-rivier. Deze oversteek was onvermijdelijk wanneer men reisde op de Tōkaidō, de weg tussen Edo (Tokio) en the Kamigata-regio van Kioto en Osaka. Rechts is de acteursgroep van Seki Sanjūrō II (1786–1839). Achter hem is een bordje te zien waarop staat dat de bagage van hem is (関三十郎荷物). Hij is onderweg naar Osaka (Naniwa), een stad met een levendig kabuki-circuit en de geboorteplaats van Sanjūrō. Hij was voornamelijk actief in Edo, maar reisde soms naar Osaka om daar toneelstukken op te voeren. Zijn metgezel is Asao Tomozō (1797–1851, ook bekend als Yoroku), die staat afgebeeld op het middelste vel. Beide acteurs reisden in 1826 vanuit Edo naar Osaka om daar het stuk Genpei no Nunobiki no Taki (De Minamoto en Taira, en de Watervallen van Nunobiki) op te voeren in de twaalfde maand van het jaar. De acteurs die hen tegemoet komen zijn Onoe Kikugorō III (1784–1849, ook bekend als Ōkawa Hachizō) en zijn zoon Onoe Matsusuke III (1805–1851). Ook Kikugorō heeft een bordje dat zijn bagage aanduidt. Zij reisden in de herfst van 1826 juist vanuit Osaka naar Edo. Kunisada maakt met deze prent een grap over de kleine kans dat de twee acteursgroepen elkaar tegenkwamen tijdens de oversteek van de Ōi-rivier. Daarvoor was een speciale service nodig van dragers omdat er geen bruggen gebouwd konden worden die bestendig waren tegen de vele overstromingen van deze rivier. De prent zou ook kunnen functioneren als advertentie: in 1827 speelde Kikugorō III in Hitori tabi gojūsan tsugi (Een Eenzame Reis Langs De 53 Stations), waarin een oversteek van de rivier wordt naspeeld. Om de scene nog levendiger te maken heeft Kunisada ook twee dienstmeisjes (jochū) uit rijke huishoudens toegevoegd die op pelgrimstocht zijn richting de heiligdommen van Ise (aangeduid met Ise mairi jochū ren 伊勢参り女中蓮).
Een Ontmoeting tussen Reizigers die de Ōi-rivier Oversteken: een Reis ['Afdaling'] naar het Oosten [Edo], een Reis ['Opgang'] naar Naniwa [Osaka]
Hiranoya Shinzō (Aikindō) 平野屋新蔵 (愛錦堂)
Ichikawa Kobunji I [in de rol van] Shōya (“Dorpshoofd”) Mokubei (R) en Sawamura Tosshō II [in de rol van] Ashikaga Sanshichirō Harutaka (L)
Hayashiya Shōgorō 林屋庄五郎
The prent is onderdeel van een set van drie ontwerpen die bekende acteurs koppelen met bloemen. Hier wordt Kawarasaki Gonjūrō I (ook bekend als Ichikawa Danjūrō IX, 1838–1903) afgebeeld met pioenrozen. De andere twee ontwerpen tonen Nakamura Fusuke I (ook bekend als Nakamura Shikan IV, 1831–1899) met een pruimenbloesem en Sawamura Tanosuke III (1845–1878) met chrysanten. Elke prent bevat een venstertje in de vorm van het embleem van de afgebeelde acteur, waarin een gedicht is geschreven over de bloem waarmee zij gekoppeld zijn. Gonjūrō vertolkt hier niet een specifieke rol, maar draagt zijn alledaagse kleding en houdt een tabakspijp vast. Een silhouet van een stenen lantaarn (ishi-dōro) is rechts van hem te zien. De donkere bladeren van de pioenroos zijn met een glanzend zwart pigment gedrukt, en de handdoek van Gonjūrō bevat blinddruk (karazuri).
Een ongetitelde prent met Kawarasaki Gonjūrō I en Pioenrozen
Uemura Yohei 上村与兵衛
This multiple-sheet design by Kunisada portrays a Sukeroku play. First performed in the early 18th century, many adaptations of the vendetta tale have appeared on the stage since. The story always centers on Sukeroku, a young hotheaded samurai who searches the Yoshiwara brothel district for his father’s killer, the bearded villain Ikyū. At the same time, the courtesan Agemaki is caught up in a love triangle with the two men. In 1822 in the Kawarasaki Theatre in Edo a version was performed called Sukeroku sakura no futaeobi (Sukeroku, Two Cherry Blossom Sashes), with the kabuki superstar Matsumoto Kōshirō V (1764–1838) in the lead role of Sukeroku. Kōshirō V was actually more famous for his depiction of the story’s villain, Ikyū. However, on this occasion that role belonged to Nakamura Daikichi (1773–1823), in one of his final performances.
Nakamura Daikichi [in de rol van] de Bebaarde Ikyū (R), Matsumoto Kōshirō V als Hanakawado Sukeroku (MR), Onoe Kikugorō III als Agemaki van het Miuraya-bordeel (ML) en Seki Sanjūrō II als Shinbei de Sake-verkoper (L)
Matsumura Tatsuemon 松村辰右衛門
Ichikawa Danjūrō VII [in de rol van] Sasano Gonza (M), Onoe Kikugorō III als Shirai Gonpachi (M) en Matsumoto Kōshirō V als Banzui’in Chōbei (L)
Hayashiya Shōgorō 林屋庄五郎
[Nakamura Fukusuke I in de rol van] Kasugaya Tokijirō (L), [Iwai Kumesaburō III in de rol van] Urazato van het Yamanoya Bordeel [en Bandō Mitsugorō IV in de rol van] de kamuro Midori (R)
Kawaguchiya Uhei (Fukusendō) 川口屋宇兵衛 (福川堂)
Ichikawa Danjūrō VII [in de rol van] Ichimonjiya Saibei (R), Iwai Kumesaburō II [in de rol van] Okaru (M) en Onoe Kikugorō III [in de rol van] Hayano Kanpei (L)
Ezakiya Kichibei (Tenjudō) 江崎屋吉兵衛 (天寿堂)
De linkertwee vellen van een triptiek. Het ontbrekende rechtervel toont de acteur Nakamura Shikan II in de rol van Tadabumi. Het toneelstuk, Kin no zai saru shimadairi, werd in de elfde maand van 1829 uitgevoerd in het Nakamura-theater.
Segawa Kikunojō V [in de rol van] prinses Kiyohime (R) en Mimasu Gennosuke I [in de rol van] vrouwe Mikuriya (L)
Iseya Rihei (Kinjudō) 伊勢屋利兵衛 (錦樹堂)
Iwai Hanshirō V (R), Bandō Mitsugorō III [in de rol van] Gokumon Shōbei (M) en Segawa Kikunojō V [in de rol van] Koman (L)
Moritaya Hanzō 森田屋半蔵
Linkerblad van een diptiek; de ontbrekende helft toont Seki Sanjūrō II in de rol van Kamiya Niemon.
Onoe Kikugorō afgedaald [naar Edo, in de rol van] de Lantaarngeest [Oiwa], geprezen in de Drie Metropolen (L)
Uedaya Kyūjirō 上田屋久次郎
De prenten in deze set beelden beroemde acteurs af en paren hen met locaties rondom de Ryōgoku-brug. De prenten bevatten gedichten die geschreven en gesigneerd zijn door de acteurs die worden afgebeeld. Hier wordt Ichikawa Kuzō II (1800–1871) afgebeeld met de 'rituele reinigingsplek' (koriba) aan het oosteinde van de brug, waar men zich ritueel waste in de Sumida-rivier.
[Ichikawa Kuzō II] – De Rituele Reinigingsplek aan het Oosteinde van de Brug
Uedaya Kyūjirō 上田屋久次郎
De prenten in deze set beelden beroemde acteurs af en paren hen met locaties rondom de Ryōgoku-brug. De prenten bevatten gedichten die geschreven en gesigneerd zijn door de acteurs die worden afgebeeld. Hier wordt Ichikawa Danjūrō VII, de meest prominente acteur van zijn tijd, afgebeeld met de brug zelf.
[Ichikawa Danjūrō VII] – De Ryōgoku-brug
Uedaya Kyūjirō 上田屋久次郎
Hirokōji (‘Wijde Laan’) was een ruim plein aan het westeinde van de Ryōgoku-brug, aangelegd om de verspreiding van potentiële branden tegen te gaan. Het was een levendig entertainmentdistrict met verscheidene verkoopstalletjes, kleine theaters, en theehuizen, waarvan er hier één geïllustreerd is samen met Ichimura Uzaemon XII (1812–1851).
[Ichimura Uzaemon XII] – Hirokōji
Uedaya Kyūjirō 上田屋久次郎
De prenten in deze set beelden beroemde acteurs af en paren hen met locaties rondom de Ryōgoku-brug. De prenten bevatten gedichten die geschreven en gesigneerd zijn door de acteurs die worden afgebeeld. Deze prent toont Onoe Kikugorō III (1784–1849) samen met de Ekō-tempel in de buurt van de oostelijke oever. De term kaichō ('onthulling') geeft aan dat het hier om de bijzondere gelegenheid gaat waarbij het heilige icoon van de tempel openbaar wordt gemaakt voor het publiek. De Ekō-tempel stond ook bekend om de vele sumo-wedstrijden die er gehouden werden.
[Onoe Kikugorō III] – De Openbare Vertoning [van het Boeddhistische icoon] in de Ekō-tempel
Uedaya Kyūjirō 上田屋久次郎
De acteur Sawamura Gennosuke II (1802–1853) wordt hier afgebeeld samen met Yanagibashi. Dit was een belangrijk entertainment-district net ten noordwesten van het westeinde van de Ryōgoku-brug. Naast verscheidene theehuizen en restaurants, stond het ook bekend om rederijen waar klanten aan boord konden stappen van gehuurde plezierboten die hen vervolgens stroomopwaarts naar de Yoshiwara-bordelenwijk vervoerden.
[Sawamura Gennosuke II] – Yanagibashi
Yamaguchiya Tōbei (Kinkōdō) 山口屋藤兵衛 (錦耕堂)
Deze serie beeldt acteurs af die een uitstapje maken om vuurvliegjes te gaan kijken bij één van de vele rivieren in Edo. Om de hitte tegen te gaan hebben ze lichte zomerkleding aan van katoen (yukata, dragen ze waaiers (uchiwa) bij zich om zichzelf koelte toe te wuiven, en kleine handdoekjes (tenugui) om het zweet uit de nek te vegen. Zeker negen prenten uit deze set zijn bekend. Edokko (‘Kind van Edo’) in de serietitel is wat typische ras-Edoïeten zichzelf graag noemden; door en door een kind van Edo, geboren en getogen.
Ichikawa Danjūrō [VII]
Yamaguchiya Tōbei (Kinkōdō) 山口屋藤兵衛 (錦耕堂)
Deze serie beeldt acteurs af die een uitstapje maken om vuurvliegjes te gaan kijken bij één van de vele rivieren in Edo. Om de hitte tegen te gaan hebben ze lichte zomerkleding aan van katoen (yukata, dragen ze waaiers (uchiwa) bij zich om zichzelf koelte toe te wuiven, en kleine handdoekjes (tenugui) om het zweet uit de nek te vegen. Zeker negen prenten uit deze set zijn bekend. Edokko (‘Kind van Edo’) in de serietitel is wat typische ras-Edoïeten zichzelf graag noemden; door en door een kind van Edo, geboren en getogen.
Matsumoto Kōshirō [V]
Yamaguchiya Tōbei (Kinkōdō) 山口屋藤兵衛 (錦耕堂)
Deze serie beeldt acteurs af die een uitstapje maken om vuurvliegjes te gaan kijken bij één van de vele rivieren in Edo. Om de hitte tegen te gaan hebben ze lichte zomerkleding aan van katoen (yukata, dragen ze waaiers (uchiwa) bij zich om zichzelf koelte toe te wuiven, en kleine handdoekjes (tenugui) om het zweet uit de nek te vegen. Zeker negen prenten uit deze set zijn bekend. Edokko (‘Kind van Edo’) in de serietitel is wat typische ras-Edoïeten zichzelf graag noemden; door en door een kind van Edo, geboren en getogen.
Bandō Mitsugorō [III]
Iwatoya Kisaburō (Eirindō) 岩戸屋喜三郎 (栄林堂)
De inscriptie bevat de dialoog tussen de twee acteurs. Er bestaat een versie met het uitgeverszegel van Emiya Kichiemon (firma Rankōdō).
Ichikawa Danjūrō VII [in de rol van] Fuwa Banzaemon (R) en Onoe Kikugorō III [in de rol van] Nagoya Sanzaburō (L)
Matsumura Tatsuemon 松村辰右衛門
Bandō Mitsugorō III [in de rol van] de verkoper van ochtendglorie-bloemen, Hanakatsumi Sangorō – [in de waaier:] Soga no Jūrō Sukenari
Kawaguchiya Shōzō (Shōeidō) 川口屋正蔵 (正栄堂)
De inscriptie boven de acteurs bevat de dialoog van de desbetreffende scène. Er bestaat een heruitgave van ditzelfde ontwerp, ook uitgegeven door Kawaguchiya, waarin de twee acteurs zijn vervangen door Bandō Mitsugorō (Iwafuji) en Nakamura Shikan (Ohatsu), die ongeveer een jaar later de twee rollen vertolkten in het stuk Sakura-doki onna gyōretsu. In die latere editie zijn de gezichten en namen, inclusief die in de dialoog, aangepast. Verder is vreemd genoeg in deze latere editie ook het signatuur van Kunisada vervangen door het signatuur van zijn studiogenoot Utagawa Kuniyoshi (1798-1861). Kuniyoshi heeft in 1832 ook een drieluik ontworpen van het toneelstuk, ook voor de uitgeverij Shōeidō.
Ichikawa Danjūrō VII [in de rol van] Vrouwe Iwafuji en Segawa Kikunojō V [in de rol van] Ohatsu
From a set of Chūshingura scenes in the mameban (literally 'bean print') format. It is rendered completely in various shades blue, a printing technique known as aizuri-e ('blue printed picture'). A full-colour set recorded in the Ritsumeikan University Ukiyo-e Database has one print with a censor seal that similar to those used in the 1800s and 1810s.
De Vierde Akte van de Schatkamer van Loyale Dienaars
From a set of Chūshingura scenes in the mameban (literally 'bean print') format. It is rendered completely in various shades blue, a printing technique known as aizuri-e ('blue printed picture'). A full-colour set recorded in the Ritsumeikan University Ukiyo-e Database has one print with a censor seal that similar to those used in the 1800s and 1810s.
De Zesde Akte uit de Schatkamer van Loyale Dienaars
Kagaya Kichibei (Seiseidō) 加賀屋吉兵衛 (青盛堂)
[Bandō Kamezō I in de rol van] Kanja Yoshitaka (R), [Nakamura Fukusuke I in de rol van] de Incarnatie van een Mannelijke Mandarijneend (M) en [Bandō Takesaburō I in de rol van] de Incarnatie van een Vrouwelijke Mandarijneend (L)
Uoya/Sakanaya Eikichi 魚屋栄吉
Fumihiroge no Chiyo
Yamadaya Shōjirō (Kinkyodō) 山田屋庄次郎 (錦橋堂)
From the series The Twelve Months (Jūni tsuki no uchi 十二月の内)
De Maand van Samenhorigheid [De Eerste Maand]
Yamadaya Shōjirō (Kinkyodō) 山田屋庄次郎 (錦橋堂)
De Maand van Brieven [Zevende Maand]
Sasaya Matabei 笹屋又兵衛
[Iwai Kumesaburō III in de rol van] Seigen en [Kawarazaki Gonjūrō I in de rol van] Sōta
Kiya Sōjirō (Kōbokudō) 木屋宗次郎 (紅木堂)
Heruitgave nadat de uitgever Kiya Sōjirō de blokken had overgekocht van Enshūya Hikobei.
De Maand van Chrysanten [De Negende Maand]
Kiya Sōjirō (Kōbokudō) 木屋宗次郎 (紅木堂)
Heruitgave nadat de uitgever Kiya Sōjirō de blokken had overgekocht van Enshūya Hikobei.
De Maand van Kersenbloesems [De Derde Maand]
Maruya Seijirō (Jukakudō) 丸屋清次郎 (寿鶴堂)
Linkerblad van een triptiek. In het theaterstuk Asagao nikki gaat de knappe jongeman Miyagi Asojirō naar de Uji-rivier om te kijken naar de vuurvliegjes in de avondkoelte. Daar komt hij Miyuki tegen, de dochter van een invloedrijke samoerai, en de twee worden meteen verliefd. Hij schrijft een gedicht op haar waaier over asagao (ochtendglorie). Het lot wil dat ze lange tijd niet samen kunnen zijn, maar ze ontmoeten elkaar eindelijk weer in de haven van Akashi, wanneer Asojirō zijn geliefde de tekst van zijn gedicht hoort zingen. Miyuki besluit voor de liefde te gaan en haar vader te verlaten, maar net als zij van haar boot naar de boot van Asojirō wil springen zorgt een harde windvlaag ervoor dat ze te ver van elkaar wegdrijven. Miyuki weet nog net haar waaier met het gedicht naar Asojirō te gooien zodat hij haar zal onthouden, voor ze voor altijd gescheiden worden.
[Nakamura Fukusuke I in de rol van] Miyagi Asojirō
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Chang’e vlucht naar de maan
Funatsu Chūjirō 舩津忠次郎
Saitō Musashibō Benkei en de Jonkheer Ushiwakamaru, later bekend als Heer van Iyo, Minamoto no Yoshitsune
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Maan in de Rosse Buurt
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Mizuki Tatsunosuke
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Sugiwara no Michizane
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Een mooie vrouw nadert in maanlicht onder de bomen
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Takao
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Maan bij Dageraad boven de Shinto-Heiligdommen
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Tsunenobu
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
De Hōzō-Tempel: de Uitvinding van de Maan
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Wu Zixu: Maan bij de Huai-Rivier
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Kikaku
Ōkura Magobei 大倉孫兵衛
Uit een serie van 50 prenten die op encyclopedische wijze bloemen en vogels afbeelden en beschrijven, verdeeld over de vier seizoenen. De prenten werden ook in bundels van twee verkocht; één voor de herfst en winter en één voor de lente en zomer. De serie is later nog eens uitgegeven zonder het sierlijke kader en de tekstvakken. Deze set heeft na het drukken (en wellicht ná de eerste verkoop) een crêpe-behandeling ondergaan. Crêpe-prenten (chirimen-e) worden gemaakt door, na het drukproces, de prent vochtig te maken en (wellicht samen met andere prenten) om een cilinder te rollen, waarna de rol wordt samengedrukt. Dit wordt herhaald vanuit verschillende hoeken waardoor het formaat kleiner wordt en na het drogen de textuur kreukelig. Chirimen-e waren bijzonder populair bij het Franse publiek in de late 19e eeuw en werden rond die tijd veel geëxporteerd.
Chinese Pioenroos en Zwartsnavelooievaar: Lente nr. 13
Ōkura Magobei 大倉孫兵衛
Uit een serie van 50 prenten die op encyclopedische wijze bloemen en vogels afbeelden en beschrijven, verdeeld over de vier seizoenen. De prenten werden ook in bundels van twee verkocht; één voor de herfst en winter en één voor de lente en zomer. De serie is later nog eens uitgegeven zonder het sierlijke kader en de tekstvakken. Deze set heeft na het drukken (en wellicht ná de eerste verkoop) een crêpe-behandeling ondergaan. Crêpe-prenten (chirimen-e) worden gemaakt door, na het drukproces, de prent vochtig te maken en (wellicht samen met andere prenten) om een cilinder te rollen, waarna de rol wordt samengedrukt. Dit wordt herhaald vanuit verschillende hoeken waardoor het formaat kleiner wordt en na het drogen de textuur kreukelig. Chirimen-e waren bijzonder populair bij het Franse publiek in de late 19e eeuw en werden rond die tijd veel geëxporteerd.
Ochtendglorie en Japanse Kraanvogels: Herfst nr. 3
Ōkura Magobei 大倉孫兵衛
Uit een serie van 50 prenten die op encyclopedische wijze bloemen en vogels afbeelden en beschrijven, verdeeld over de vier seizoenen. De prenten werden ook in bundels van twee verkocht; één voor de herfst en winter en één voor de lente en zomer. De serie is later nog eens uitgegeven zonder het sierlijke kader en de tekstvakken. Deze set heeft na het drukken (en wellicht ná de eerste verkoop) een crêpe-behandeling ondergaan. Crêpe-prenten (chirimen-e) worden gemaakt door, na het drukproces, de prent vochtig te maken en (wellicht samen met andere prenten) om een cilinder te rollen, waarna de rol wordt samengedrukt. Dit wordt herhaald vanuit verschillende hoeken waardoor het formaat kleiner wordt en na het drogen de textuur kreukelig. Chirimen-e waren bijzonder populair bij het Franse publiek in de late 19e eeuw en werden rond die tijd veel geëxporteerd.
Treursierkers en Specht: Lente nr. 2
Ōkura Magobei 大倉孫兵衛
Uit een serie van 50 prenten die op encyclopedische wijze bloemen en vogels afbeelden en beschrijven, verdeeld over de vier seizoenen. De prenten werden ook in bundels van twee verkocht; één voor de herfst en winter en één voor de lente en zomer. De serie is later nog eens uitgegeven zonder het sierlijke kader en de tekstvakken. Deze set heeft na het drukken (en wellicht ná de eerste verkoop) een crêpe-behandeling ondergaan. Crêpe-prenten (chirimen-e) worden gemaakt door, na het drukproces, de prent vochtig te maken en (wellicht samen met andere prenten) om een cilinder te rollen, waarna de rol wordt samengedrukt. Dit wordt herhaald vanuit verschillende hoeken waardoor het formaat kleiner wordt en na het drogen de textuur kreukelig. Chirimen-e waren bijzonder populair bij het Franse publiek in de late 19e eeuw en werden rond die tijd veel geëxporteerd.
Chrysanten en Paradijsvogels: Herfst nr. 15
Ōkura Magobei 大倉孫兵衛
Uit een serie van 50 prenten die op encyclopedische wijze bloemen en vogels afbeelden en beschrijven, verdeeld over de vier seizoenen. De prenten werden ook in bundels van twee verkocht; één voor de herfst en winter en één voor de lente en zomer. De serie is later nog eens uitgegeven zonder het sierlijke kader en de tekstvakken. Deze set heeft na het drukken (en wellicht ná de eerste verkoop) een crêpe-behandeling ondergaan. Crêpe-prenten (chirimen-e) worden gemaakt door, na het drukproces, de prent vochtig te maken en (wellicht samen met andere prenten) om een cilinder te rollen, waarna de rol wordt samengedrukt. Dit wordt herhaald vanuit verschillende hoeken waardoor het formaat kleiner wordt en na het drogen de textuur kreukelig. Chirimen-e waren bijzonder populair bij het Franse publiek in de late 19e eeuw en werden rond die tijd veel geëxporteerd.
Himalayaanse Zwarte Buulbuul en Winterpioen: Winter nr. 10
Ōkura Magobei 大倉孫兵衛
Uit een serie van 50 prenten die op encyclopedische wijze bloemen en vogels afbeelden en beschrijven, verdeeld over de vier seizoenen. De prenten werden ook in bundels van twee verkocht; één voor de herfst en winter en één voor de lente en zomer. De serie is later nog eens uitgegeven zonder het sierlijke kader en de tekstvakken. Deze set heeft na het drukken (en wellicht ná de eerste verkoop) een crêpe-behandeling ondergaan. Crêpe-prenten (chirimen-e) worden gemaakt door, na het drukproces, de prent vochtig te maken en (wellicht samen met andere prenten) om een cilinder te rollen, waarna de rol wordt samengedrukt. Dit wordt herhaald vanuit verschillende hoeken waardoor het formaat kleiner wordt en na het drogen de textuur kreukelig. Chirimen-e waren bijzonder populair bij het Franse publiek in de late 19e eeuw en werden rond die tijd veel geëxporteerd.
Riet en Sperwer: Winter nr. 4
Ōkura Magobei 大倉孫兵衛
Uit een serie van 50 prenten die op encyclopedische wijze bloemen en vogels afbeelden en beschrijven, verdeeld over de vier seizoenen. De prenten werden ook verkocht in twee bundels; een voor de herfst en winter en een voor de lente en zomer. De serie is later nog eens uitgegeven zonder het sierlijke kader en de tekstvakken. Deze set heeft na het drukken (en wellicht ná de eerste verkoop) een crêpe-behandeling ondergaan. Crêpe-prenten (chirimen-e) worden gemaakt door, na het drukproces, de prent vochtig te maken en (wellicht samen met andere prenten) om een cilinder te rollen, waarna de rol wordt samengedrukt. Dit wordt herhaald vanuit verschillende hoeken waardoor het formaat kleiner wordt en na het drogen de textuur kreukelig. Chirimen-e waren bijzonder populair bij het Franse publiek in de late 19e eeuw en werden rond die tijd veel geëxporteerd.
Chinese Rozen en Grote Beo’s: Lente nr. 15
Ōkura Magobei 大倉孫兵衛
Uit een serie van 50 prenten die op encyclopedische wijze bloemen en vogels afbeelden en beschrijven, verdeeld over de vier seizoenen. De prenten werden verkocht in twee bundels; een voor de herfst en winter en een voor de lente en zomer. De serie is later nog eens uitgegeven zonder het sierlijke kader en de tekstvakken. Deze set heeft na het drukken (en wellicht ná de eerste verkoop) een crêpe-behandeling ondergaan. Crêpe-prenten (chirimen-e) worden gemaakt door, na het drukproces, de prent vochtig te maken en (wellicht samen met andere prenten) om een cilinder te rollen, waarna de rol wordt samengedrukt. Dit wordt herhaald vanuit verschillende hoeken waardoor het formaat kleiner wordt en na het drogen de textuur kreukelig. Chirimen-e waren bijzonder populair bij het Franse publiek in de late 19e eeuw en werden rond die tijd veel geëxporteerd.
Driekleurige Amarant en Wilde Ganzen: Herfst nr. 12
Ōkura Magobei 大倉孫兵衛
Uit een serie van 50 prenten die op encyclopedische wijze bloemen en vogels afbeelden en beschrijven, verdeeld over de vier seizoenen. De prenten werden verkocht in twee bundels; een voor de herfst en winter en een voor de lente en zomer. De serie is later nog eens uitgegeven zonder het sierlijke kader en de tekstvakken. Deze set heeft na het drukken (en wellicht ná de eerste verkoop) een crêpe-behandeling ondergaan. Crêpe-prenten (chirimen-e) worden gemaakt door, na het drukproces, de prent vochtig te maken en (wellicht samen met andere prenten) om een cilinder te rollen, waarna de rol wordt samengedrukt. Dit wordt herhaald vanuit verschillende hoeken waardoor het formaat kleiner wordt en na het drogen de textuur kreukelig. Chirimen-e waren bijzonder populair bij het Franse publiek in de late 19e eeuw en werden rond die tijd veel geëxporteerd.
Tuinhibiscus en Kraaien: Herfst nr. 2
Ōkura Magobei 大倉孫兵衛
Uit een serie van 50 prenten die op encyclopedische wijze bloemen en vogels afbeelden en beschrijven, verdeeld over de vier seizoenen. De prenten werden ook in bundels van twee verkocht; één voor de herfst en winter en één voor de lente en zomer. De serie is later nog eens uitgegeven zonder het sierlijke kader en de tekstvakken. Deze set heeft na het drukken (en wellicht ná de eerste verkoop) een crêpe-behandeling ondergaan. Crêpe-prenten (chirimen-e) worden gemaakt door, na het drukproces, de prent vochtig te maken en (wellicht samen met andere prenten) om een cilinder te rollen, waarna de rol wordt samengedrukt. Dit wordt herhaald vanuit verschillende hoeken waardoor het formaat kleiner wordt en na het drogen de textuur kreukelig. Chirimen-e waren bijzonder populair bij het Franse publiek in de late 19e eeuw en werden rond die tijd veel geëxporteerd.
Lablab-Boon and Kuifibissen: Herfst nr. 4
Yamadaya Shōjirō (Kinkyōdō)
Rechterblad van een triptiek. Uit een serie triptieken waarin hoofdstukken uit het populaire boekje Nise Murasaki inaka Genji (Neppe Murasaki, Boeren Genji) worden gepaard met de vijf grote festivals van het jaar. In dit geval Jongensdag, gevierd in de vijfde maand (satsuki).
De Vijfde Maand
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Het gedicht was geschreven door Adachi Chiyono (ook wel bekend als de non Mugai Nyodai, c. 1223–1298), die plotse verlichting bereikte toen haar emmer brak: net als de weerspiegeling van de maan in het water in de emmer was haar eigen uitwendige verschijning ook slechts een illusie; om zichzelf werkelijk te begrijpen is het nodig binnenwaarts te kijken.
Chiyono
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Aanvoerder Yoshitaka: de Maan bij de Seson-Tempel
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Maan bij vloed
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Moon over Takakura: Hasebe Nobutsura
Funatsu Chūjirō 船津忠次郎
Takeda ‘Meester van de Paleistafel’ Harunobu Nyūdō Shingen
Kodama Matashichi 児玉又七
Hogepriester Yūten
Kodama Matashichi 児玉又七
Suzuki Toyohito
Kodama Matashichi 児玉又七
Katō Toranosuke
Kodama Matashichi 児玉又七
Kaidōmaru
Kodama Matashichi 児玉又七
Yamanaka Shikanosuke
Kodama Matashichi 児玉又七
Kusunoki Masayuki
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
De Maan van de Melkweg
Ōhashiya Yashichi (Daikyōdō) 大橋屋弥七 (大橋堂)
Shige no Yozaemon
Ōhashiya Yashichi (Daikyōdō) 大橋屋弥七 (大橋堂)
Geki Magohachi
Daikokuya Kichinosuke 大黒屋吉之助
[Bandō Hikosaburō V in de rol van] Takechi Mitsuhide
Kakumotoya Kinjirō 角本屋金次郎
Deze prent maakt een woordgrap rondom het theaterstuk Sakura sōshi gonichi no bundan. De naam van het stuk verwijst naar de historische figuur waarop de hoofdrol was gebaseerd, Kiuchi Sōgo (1605–1653), een boer uit het Sakura-domein (hedendaagse prefectuur Chiba). In deze mitate (speelse vergelijking) koppelt Yoshitoshi de acteur Ichikawa Kodanji IV (die de poëzienaam Beishō gebruikte), in zijn rol als Asakura Tōgo, a pseudonym for Sōgo, met de plant in de achtergrond. Dit is Siebold's primula (Primula sieboldii), wat in het Japans sakurasō (kersenbloesemgras) wordt genoemd, omdat de bloemen een beetje op bloeiende kersenbloesem lijken. Kodanji speelde de rol in het Morita-theater in de achtste maand van 1861, dezelfde tijd als dat deze prent werd uitgegeven. Het maken van acteurs-prenten ter gelegenheid van een nieuw stuk was een bekende verkoopstrategie.
Siebold’s Primula – Beishō [Ichikawa Kodanji IV] in de rol van Asakura Tōgo
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Prins O-usu – Maan boven het Rovershol
Tsujiokaya Tsunajima Kamekichi (Kinkodō/Tōsendō) 辻岡屋綱島亀吉 (錦亀堂/島鮮堂)
Nachtelijke Aanval van de Trouwe Vazallen
Tsujiokaya Tsunajima Kamekichi (Kinkodō/Tōsendō) 辻岡屋綱島亀吉 (錦亀堂/島鮮堂)
Het Verhaal van Shiraito uit het Hashimoto-Bordeel
Matsui Eikichi (Kakuhakudō) 松井栄吉 (画博堂)
Uit een set van minstens 15 historische onderwerpen in het verticale diptiek-formaat. Dit formaat wordt soms kakemono-e (hangrol plaatjes) genoemd omdat het door het de lange vorm geschikt is om in een hangrol te monteren. Shunkan (c. 1143–1179) was een Boeddhistische monnik die was verbannen naar het Kikai-eiland samen met twee andere samenzweerders, ver weg van de hoofdstad Kyoto, na een onsuccesvolle poring om de Hoofdminister van de Staat (daijō-daijin) Taira no Kiyomori (1118–1181) omver te werpen. Shunkan wordt genoemd in het Verhaal van de Heike en het Kikai-eiland dat daarin wordt genoemd is waarschijnlijk het eiland met fonetisch dezelfde naam in de buurt van het hedendaagse Okinawa. Op een zeker moment wereden de andere twee ballingen plots gepardonneerd worden en zij mochten terugkeren naar Kyoto terwijl Shunkan alleen op het eiland werd achtergelaten, wat hem in volslagen wanhoop bracht. Shunkan werd later een populair personage in het volkstheater, kabuki.
De priester Shunkan die vol benijd toekijkt vanaf het Kikai-eiland terwijl Yasuyori onverwachts gepardonneerd wordt en mag terugkeren naar de hoofdstad
Matsui Eikichi (Kakuhakudō) 松井栄吉 (画博堂)
Uit een set van minstens 15 historische onderwerpen in het verticale diptiek-formaat. Dit formaat wordt soms kakemono-e (hangrol plaatjes) genoemd omdat het door het de lange vorm geschikt is om in een hangrol te monteren. Er zijn meerdere versies van het verhaal waar deze prent op gebaseerd is, maar een van de bekendste gaat als volgt. De zoogster van een jonge, zieke prinses wordt opgedragen op zoek te gaan naar een geneesmiddel voor het kind, waarvoor ze de lever van een pasgeboren baby nodig heeft. Ze is gedwongen haar eigen dochter achter te laten voor haar zoektocht naar een vrijwillige donateur. Na maanden tevergeefs gezocht te hebben naar een kandidaat, besluit de wanhopige vrouw op de loer te gaan liggen in een oud huis op de Adachi heide in de Provincie Mutsu. Destijds was het gebruikelijk voor aanstaande moeders om terug te keren naar hun geboorteplaats om te bevallen en uiteindelijk komt een jonge zwangere vrouw langs het pad. De zoogster overvalt en vermoord de vrouw, maar realiseert zich te laat dat het haar eigen dochter is. Haar vreselijke daad transformeert haar in een onibaba (een oude vrouwelijke demon) die gek van woede en verdriet rondspookt op de Adachi heide op zoek naar nieuwe slachtoffers.
Het alleenstaande huis op de Adachi-heide in de provincie Mutsu
Daikokuya Matsuki Heikichi (Shōjudō) 大黒屋松木平吉 (松寿堂)
Postume editie uitgegeven door Matsuki Heikichi. Oorspronkelijke set in 1881 en 1887 uitgegeven door Tsuda Genshichi. In de vroege editie van Genshichi is het titelvenster rood, het signatuur omkaderd en zijn verscheidene kleuren aanwezig in de achtergrond.
Kusunoki Tatewaki Masatsura
Iseya Kisaburō (Man’yōdō) 伊勢屋喜三郎 (万葉堂)
Verhalen van Hedendaagse Galante Mannen is een serie van 36 ontwerpen die Yoshitoshi vroeg in zijn carrière heeft gemaakt. De set draait om twee rivaliserende gokbendes die tot een bloederig conflict kwamen in de jaren 1840, in het gebied rondom de monding van de Tone-rivier in het noordoosten van de hedendaagse prefectuur Chiba. De twee bendeleiders (oyabun) waren Iioka no Sukegorō (1792–1859) en Sasagawa no Shigezō (1810–1847), hun namen afgeleid van hun territoria rondom Iioka-strand en de Sasa-rivierbedding. In de teksten, geschreven door fictie-schrijver Sansantei Arindō (ookwel Jōno Saigiku, 1832–1902), hebben de twee rivalen de pseudoniemen Sutegorō en Higezō gekregen om zo de censuur te omzeilen. Hun vete duurde een aantal jaren voort totdat Sukegorō een trawant eropuit stuurde en Shigezō liet vermoorden in 1847, op zo'n achterbakse manier dat zelfs sommigen van zijn volgers (kobun) het afkeurden. Een klein groepje van Shigezō's volgers, waaronder zijn opvolger Seiriki no Tomigorō (soms geschreven als Tamigorō, echte naam Shibata Sasuke, 1817?–1849), wilden hem wreken en vielen in 1849 Sukegorō aan, maar zonder succes en Tomigorō pleegde zelfmoord toen hij omsingeld was door Sukegorō's handlangers. Dat lijkt het conflict grotendeels beëindigd te hebben. De bendeoorlog was zo grootschalig dat het veel aandacht kreeg van de bevolking van Edo en het deed hen denken aan de grote samoerai-strijden van vanouds. Het werd al snel onthaald als de "Suikoden van het Tenpō-tijdperk" door professioneel verhaalverteller (kōdanshi) Takarai Kinryō I. Daarmee refereert hij naar het enorm populaire Chinese boek Suikoden (Water Margin) dat gaat over 108 heldhaftige bandieten die de corrupte ambtenaren tarten. De Edo-bevolking was dol op ruige krachtpatsers die zich weinig aantrokken van autoriteit en niet veel later werd een kabuki-toneelstuk in Edo uitgevoerd dat was gebaseerd op deze gebeurtenis, waarin de gokbazen en hun handlangers werden neergezet als overdreven sterke, ruige, maar nobele personages. Ook in Yoshitoshi's ontwerpen vertonen de mannen bovenmenselijke krachten, terwijl de teksten van Sansantei hun galanterie en goedaardigheid benadrukken. Deze tekst vertelt hoe Sukegorō als jongeman roem verwierf toen hij Ikeda Kaku, een beruchte rōnin, ervan weerhield een klein dorpje te terroriseren in een dronken razernij. Het beeld toont hoe hij een gewapende Kaku, die bekend stond als een meesterzwaardvechter, met zijn blote handen tegen de grond werkt. De tekst gaat ook in op Sukegorō's karaktertrekken: evenwichtig, beheerst, en berekenend, Sukegorō hecht boven alles waarde aan rijkdom en macht en heeft weinig respect voor het mensenlijk leven (“heeft een lagere dunk van het menselijk leven dan van een ganzenveer” inochi o gamō yori mo karonzu 命を鵞毛よりもかろんず). De tekst noemt ook enkele van zijn belangrijkste handlangers: Sunosaki Matakichi 洲の崎亦吉, Niimachi Kanta 新待勘太, Oshita (Oshita no Rishichi) 尾下 ([sic] 小下), Kirishima (Kirishima Matsugorō) 桐島, and Sageo (Sageo no Isuke) 下緒. Tot slot beschrijft het kort het conflict tussen Sukegorō en zijn rivaal Sasagawa no Higezō (Shigezō) en laat de lezer weten dat hij wel drie keer aan de dood is ontsnapt en vreedzaam is gestorven aan ouderdom.
Iioka no Sutegorō
Iseya Kisaburō (Man’yōdō) 伊勢屋喜三郎 (万葉堂)
Verhalen van Hedendaagse Galante Mannen is een serie van 36 ontwerpen die Yoshitoshi vroeg in zijn carrière heeft gemaakt. De set draait om twee rivaliserende gokbendes die tot een bloederig conflict kwamen in de jaren 1840, in het gebied rondom de monding van de Tone-rivier in het noordoosten van de hedendaagse prefectuur Chiba. De twee bendeleiders (oyabun) waren Iioka no Sukegorō (1792–1859) en Sasagawa no Shigezō (1810–1847), hun namen afgeleid van hun territoria rondom Iioka-strand en de Sasa-rivierbedding. In de teksten, geschreven door fictie-schrijver Sansantei Arindō (ookwel Jōno Saigiku, 1832–1902), hebben de twee rivalen de pseudoniemen Sutegorō en Higezō gekregen om zo de censuur te omzeilen. Hun vete duurde een aantal jaren voort totdat Sukegorō een trawant eropuit stuurde en Shigezō liet vermoorden in 1847, op zo'n achterbakse manier dat zelfs sommigen van zijn volgers (kobun) het afkeurden. Een klein groepje van Shigezō's volgers, waaronder zijn opvolger Seiriki no Tomigorō (soms geschreven als Tamigorō, echte naam Shibata Sasuke, 1817?–1849), wilden hem wreken en vielen in 1849 Sukegorō aan, maar zonder succes en Tomigorō pleegde zelfmoord toen hij omsingeld was door Sukegorō's handlangers. Dat lijkt het conflict grotendeels beëindigd te hebben. De bendeoorlog was zo grootschalig dat het veel aandacht kreeg van de bevolking van Edo en het deed hen denken aan de grote samoerai-strijden van vanouds. Het werd al snel onthaald als de "Suikoden van het Tenpō-tijdperk" door professioneel verhaalverteller (kōdanshi) Takarai Kinryō I. Daarmee refereert hij naar het enorm populaire Chinese boek Suikoden (Water Margin) dat gaat over 108 heldhaftige bandieten die de corrupte ambtenaren tarten. De Edo-bevolking was dol op ruige krachtpatsers die zich weinig aantrokken van autoriteit en niet veel later werd een kabuki-toneelstuk in Edo uitgevoerd dat was gebaseerd op deze gebeurtenis, waarin de gokbazen en hun handlangers werden neergezet als overdreven sterke, ruige, maar nobele personages. Ook in Yoshitoshi's ontwerpen vertonen de mannen bovenmenselijke krachten, terwijl de teksten van Sansantei hun galanterie en goedaardigheid benadrukken. Hier is Sasagawa Shigezō (echte naam Iwase Shigezō, hier onder het pseudoniem Kasagawa Higezō) aan het worstelen met een woeste stier en staat op het punt het beest een flinke dreun te verkopen. De tekst geeft enige toelichting over het leven van Shigezō, inclusief het voorval met de stier (zie Inscriptie).
Kasagawa Higezō
Iseya Kisaburō (Man’yōdō) 伊勢屋喜三郎 (万葉堂)
Hirade Iki (beter bekend als Hirate Miki) was een rōnin (meesterloze samurai) en zeer bekwame zwaardvechter. Volgens sommigen was hij een student van de zwaardmeester Chiba Shūsaku (1794–1856), die hem verbannen zou hem uit zijn school vanwege zijn wangedrag. Fabels en feiten over Hirade zijn zwaar verwikkeld, maar het is zeker dat hij op een gegeven moment een ingehuurde lijfwacht werd voor de gokbendeleider Sasagawa no Shigezō (1810–1847) en dat hij een drankprobleem had (waardoor men zijn naam Miki 三亀 is gaan schrijven met de homofone karakters 造酒, oftewel “sake brouwen”). Hij schijnt een felle strijd geleverd te hebben bij de nachtelijke aanval op de basis van Shigezō in 1844. Hirade kwam hierbij om het leven, maar de zwaardkunsten die hij die nacht vertoonde werden legendarisch en hij werd al snel een belangrijk personage in alle fictieve verhalen die volgden. Deze bestonden in de eerste instantie uit mondelinge verhalen door professionele vertellers, volkstoneel en geïllustreerde boekjes en prenten zoals deze, maar met de komst van de cinema in de 20ste eeuw kwam daar verandering in. Al in 1925 verscheen een stille film getiteld Hirate Miki van regisseur Tadamoto Ōkubo. De lijfwacht en de gokbazen keerden vele malen terug op het grote doek, maar de bekendste werd Zatōichi, over een blinde zwaardmeester die verwikkeld raakt in de bendeoorlog tussen Iioka en Sasagawa, en uiteindelijk tegenover Hirate Miki in een duel komt te staan.
Hirade Iki
Iseya Kisaburō (Man’yōdō) 伊勢屋喜三郎 (万葉堂)
Voor een beschrijving van deze serie, zie Iioka no Sutegorō. Sunosaki Matakichi was de rechterhand van Iioka no Sutegorō. De tekst geeft wat details over zijn leven. Matakichi kwam uit Susaki in de zuidelijke punt van de provincie Awa. Zijn leven werd ooit gered door Sutegorō en vanaf toen werd hij Sutegorō's volger. Op een dag kwam een grote groep van handlangers van de rivaal Higezō naar het huis van Sutegorō. Matakichi reageerde door een gigantisch zwaar anker te pakken en het nonchalant op zijn schouder te dragen, waarna hij de bendeleden van Higezō benaderde en vriendelijk begroette met een lichte buiging. De mannen waren zo enorm geïntimideerd door zijn bovenmenselijke kracht. Yoshitoshi beeldt hem af in een nonchalante houding met een massief anker op zijn schouder.
Sunosaki Matakichi
Iseya Kisaburō (Man’yōdō) 伊勢屋喜三郎 (万葉堂)
Zie Iioka no Sutegorō voor een gedetailleerde beschrijving van de serie
Namekata Mon’ya
Iseya Kisaburō (Man’yōdō) 伊勢屋喜三郎 (万葉堂)
Ga naar Iioka no Sutegorō voor een beschrijving van deze serie: https://www.sieboldhuis.org/co... Takezō kwam uit het gebied rondom de Jizō-Tempel van de Vijfhonderd Arahanten (Jizōji Gohyaku Rakan) in de provincie Awa in het noordoostelijke deel van Shikoku. In Yoshitoshi's prent vertoont hij ongelooflijke kracht: met een uitgestrekte arm balanceert hij een enorm vat sake met daarbovenop nog een man, alsof het niets weegt, terwijl hij geniet van zijn tabakspijp (kiseru).
Rakan no Takezō
Iseya Kisaburō (Man’yōdō) 伊勢屋喜三郎 (万葉堂)
Niimachi Kanta
Iseya Kisaburō (Man’yōdō) 伊勢屋喜三郎 (万葉堂)
Habakari Yūkichi
Iseya Kisaburō (Man’yōdō) 伊勢屋喜三郎 (万葉堂)
Kirishima Matsugorō
Iseya Kisaburō (Man’yōdō) 伊勢屋喜三郎 (万葉堂)
Nadare no Iwamatsu
Iseya Kisaburō (Man’yōdō) 伊勢屋喜三郎 (万葉堂)
Jimoguri Matazō
Iseya Kisaburō (Man’yōdō) 伊勢屋喜三郎 (万葉堂)
Namakubi Rokuzō
Iseya Kisaburō (Man’yōdō) 伊勢屋喜三郎 (万葉堂)
Oshita no Rishichi
Morimoto Junzaburō (Entaidō) 森本順三郎 (円泰堂)
Verzamelaarszegel van franse schilder Emile-Louis Mathon (1842–1893)
Katō Kiyomasa, Hoofd Financiële Zaken
Sasaki Toyokichi 佐々木豊吉
Gamō Sadahide’s Dienaar, Toki Motosada, die een Demonenkoning Tegen de Grond Slaat op de Inahana-Berg in de Provincie Kai
Sasaki Toyokichi 佐々木豊吉
Takeda Katsuchiyo Velt een Oude Tanuki bij Maanlicht in de Nacht
Maruya Kobayashi Tetsujirō (Enjudō) 丸屋小林鉄次郎 (延寿堂)
Hino Kumawakamaru
Ōhashiya Yashichi (Daikyōdō) 大橋屋弥七 (大橋堂)
Shige no Yozaemon
Ōmiya Kyūjirō (Kiyūdō) 近江屋久次郎 (亀遊堂)
Miyamoto Musashi Masana
Tsujiokaya Tsunajima Kamekichi (Kinkodō/Tōsendō) 辻岡屋綱島亀吉 (錦亀堂/島鮮堂)
Verslag over Kagoshima
Maeda Shōsaburō 前田正三郎, Maruya Tetsujirō (Enjudō) 丸屋鉄次郎 (延寿堂)
Dit triptiek was oorspronkelijk uitgegeven door Maeda Shōsaburō en werd heruitgegeven door Maruya Tetsujirō.
De Grote Raadsvergadering over de Verovering van Chōson
Funatsu Chūjirō 舟津忠次郎
Verzamelaarszegel E. Mathon, Artiste-Peintre (Émile Louis Mathon)
Oda Taira Nobunaga Minister van Rechts
Shitanoya 下野屋, Iseya Kanekichi 伊勢屋兼吉
Tekst door Tamenaga Shunsui II 為永春水
Uemura Ietsugu Heer van Dewa
Funatsu Chūjirō 舟津忠次郎
Minister van Midden Komatsu Taira Shigemori
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Minamoto no Tsunetomo – Maan boven het Jōgan-paleis
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Maan boven Chōfu
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Avondnevel – Maan boven Kinuta
Funatsu Chūjirō 舟津忠次郎
Uesugi Terutora, de priester Kenshin
Ebisuya Kumagai Shōshichi 恵比寿屋熊谷庄七
Heer Tokugawa Ieyasu
Maruya Kobayashi Tetsujirō (Enjudō) 丸屋小林鉄次郎 (延寿堂)
Vrouwe Hangaku
Yorozuya Magobei (Kin’eidō) 萬屋孫兵衛 (錦栄堂)
Rikuzen, Shirakawa
Izumiya Ichibei (Kansendō) 和泉屋市兵衛 (甘泉堂)
The warrior Yamamoto Kansuke (1501–1561) breaking through the enemy ranks and riding to his death at the Battles of Kawanakajima (1553–1564).
De Grote Slag bij Kawanakajima
Maruya Kobayashi Tetsujirō (Enjudō) 丸屋小林鉄次郎 (延寿堂)
Yamanaka Shikanosuke Yukimori
Inoue Mohei (Hōeidō) 井上茂兵衛 (宝永堂)
Tekst door Takabatake Ransen 高畠藍泉
De Wens om naar de Occident te Reizen
Maruya Kobayashi Tetsujirō (Enjudō) 丸屋小林鉄次郎 (延寿堂)
Minister Takenouchi no Sukune
Daikokuya Matsuki Heikichi (Shōjudō) 大黒屋松木平吉 (松寿堂)
Ohatsu, de bediende van Onoe
Sawamuraya Takekawa Seikichi (Seieidō) 沢村屋武川清吉 (青永堂)
Satō Tsugunobu en Kurō Minamoto Yoshitsune bij de Slag van Yashima-no-ura
Daikokuya Matsuki Heikichi (Shōjudō) 大黒屋松木平吉 (松寿堂)
One of most dramatic accounts of women wielding swords in anger concerns this revenge killing, in which the avengers were the man's two daughters: Miyagino and Shinobu. Popular accounts of this affair exist in many versions. The factual basis of the story concerns a samurai called Shiga Daishichi, who was on the run because of a misdemeanor and hid in a paddy field, in a village near Shiroishi Banashi in Mutsu Province. By chance, he was observed by a farmer, Yomosaku, who had been transplanting rice seedlings, and in his surprise Shiga Daishichi panicked and killed him. Yomosaku had two daughters, the eldest of whom, Miyagino, had (according to the more romantic versions of the tale) been engaged to be married to a samurai, but through poverty had been sold into prostitution and become a tayū — a sex worker of the highest status — in Yoshiwara, in Edo. The younger daughter, Shinobu, intending to tell her elder sister about her father's death, went to Edo, where she tracked down her sister. They then secretly slipped away from Yoshiwara in order to seek revenge for their father's death, and began to study the martial arts under the guidance of Miyagino's samurai fiancé. They were eager in their pursuit of knowledge, and the result was the vengeance on their father's enemy, Shiga Daishichi, in 1649. The sisters were determined to carry out the revenge themselves, and the details are largely historical. When the time was ripe, they went through the formalities of asking their daimyō for authorization to avenge the death of their father. There was, in this case, no need for a long search for the enemy, as he had remained in the daimyō's service. The lord accordingly ordered the man to be brought before him to face the girls in combat. Miyagino was armed with a naginata while Shinobu wielded a kusarigama, the sharpened sickle with a long weighted chain. Shiga Daishichi's sword was rendered ineffectual with the aid of the chain, and the other sister finished him off with her naginata. Stephen Turnbull, The Samurai Swordsman: Master of War, p. 152
The keisei Miyagino and her Little Sister Shinobu
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Fudō Myōō Bedreigt de Priester Yūten
Tsuda Genshichi 津田源七
Collector seal: E.M. (Émile Louis Mathon)
Katō Ishidōmaru
Tsujiokaya Tsunajima Kamekichi (Kinkodō/Tōsendō) 辻岡屋綱島亀吉 (錦亀堂/島鮮堂)
Ōkubo Hikozaemon, ook bekend als Ōkubo Tadataka (1560–1639), was een samurai die de Tokugawa-clan diende. Hij protesteerde tegen een verbod op het betreden van het kasteel in een draagstoel met een ludieke actie: hij liet zijn bedienden hem dragen in een tobbe en paradeerde zo door de straten naar het kasteel. De oude samurai bracht veel roering teweeg bij toeschouwers, die het erg vermakelijk vonden.
Ōkubo Hikozaemon betreedt het kasteel van de shogun in een tobbe
Tsujiokaya Tsunajima Kamekichi (Kinkodō/Tōsendō) 辻岡屋綱島亀吉 (錦亀堂/島鮮堂)
Het Verhaal van Ikkyū en Jigokudayū
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Sneeuw: Onoe Baikō in de rol van Iwakura Sōgen
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
De schrijver van het voorwoord is Itō Senzō 伊東専三 (1850–1914), pseudonym Kyōtō 橋塘, de eigenaar van een okashi-winkel (Japanse zoetwaren) die verder werkte bij het ministerie van Financiën. Hij schreef ook fictie en had gestudeerd onder de bekende auteur Kanagaki Robun (1829–1894).
Titelblad voor Een Selectie van Zesendertig Schoonheden (Sanjūrokkasen)
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Een Plezieruitje: Vrouwen van het Kyōho-tijdperk
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Een mogelijkheid bij Eb: Vrouwen van het Bunka-Tijdperk
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Reiziger: Vrouwen van het Genkō-Tijdperk
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Shirabyōshi: Vrouwen van het Kenkyū-Tijdperk
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Theatergangers: Vrouwen van het Jōō-Tijdperk
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Sneeuw Kijken: Vrouwen van het Kanbun-Tijdperk
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Nummer een
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Nummer twee
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Nummer drie
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Nummer vier
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Nummer vijf
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Number six
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂
Nummer zeven
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Nummer negen
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Nummer tien
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Nummer twaalf
Yamadaya Shōjirō (Kinkyōdō) 山田屋庄次郎 (錦橋堂)
De Derde Maand
Maruya Kyūshirō 丸屋久四郎
[Nakamura Fusuke I als] een oiran die de Kawasaki-dans uitvoert
Fujiokaya Keijirō 藤岡屋慶次郎 (Shōrindō 松林堂)
Genieten van een waterval
Sumiyoshiya Masagorō 住吉屋政五郎 (Hōraidō 鳳来堂)
Tussen Numazu en Hara, het dorpje Ide en Kawazu Saburō
Shimizuya Naojirō 清水屋直次郎
Linkerblad van een diptiek
[Nakamura Tomijūrō in de rol van] de Geest van de Aardspin
Izuya Sankichi 伊豆屋三吉
[Ichikawa Kodanji IV in de rol van] Danshichi Kurōbei en [Iwai Kumesaburō III in de rol van] zijn vrouw Okaji, [Kataoka Gadō II in de rol van] Issun Tokubei en [Morita Kan’ya XI in de rol van] Tsurubune no Sabu
Kagiya Shōbei 鍵屋庄兵衛
Onderdeel van een grote, ongetitelde reeks acteursportretten die zijn gepaard met gedichten geschreven door de acteurs zelf. De meeste achtergronden zijn ontworpen door Miyagi Gengyo (1817–1880). Kunisada heeft ook een serie met hetzelfde concept gemaakt voor uitgever Uoya Eikichi in hetzelfde jaar.
[Nakamura Shikan IV in de rol van] Yamagata Gyōbunosuke, in werkelijkheid Inada Kōzō
Iseya Rihei 伊勢屋利兵衛 (Kinjudō 錦樹堂)
De Slag van de Jiameng-bergpas is een fictieve veldslag in de 14e-eeuwse roman Een Romantiek van de Drie Koninkrijken. Tijdens deze slag gaan de historische figuren Ma Chao (176–222) en Zhang Fei (d. 221) een duel aan.
Ma Chao uit Westelijk Liang en Zhang Fei de Zwaluw, Zhang Fei dueleert Ma Chao bij de Slag van de Jiamen-bergpas
Kawaguchiya Shōzō 川口屋正蔵
Nakamura Shikan II in de rol van Sawai Matagorō en Mimasu Gennosuke I in de rol van Ikezohe Magohachi
Fujiokaya Keijirō 藤岡屋慶次郎 (Shōrindō 松林堂)
De worstelaars Koyanagi Tsunekichi en Arauma Kichigorō, en de scheidsrechter Shikimori Inosuke V
Sumiyoshiya Masagorō 住吉屋政五郎 (Hōraidō 鳳来堂)
Fuchū: [Ichikawa Hirogorō in de rol van] Kitahachi, en de beroemde lokale specialiteit Abe-rivier mochi
Kagiya Shōbei 鍵屋庄兵衛
[Nakamura Shikan IV in de rol van] Fujiya Izaemon
Takahashiya Takakichi (Bun’eidō) 高橋屋高吉 (文栄堂)
Vrouwe Matsushima
Iwatoya Kisaburō (Eirindō) 岩戸屋 喜三郎 (栄林堂)
Bandō Mitsugorō III in de rol van irogotoshi Minamibae kakiso no Osu
Yamaguchiya Tōbei (Kinkōdō) 山口屋藤兵衛 (錦耕堂)
Onoe Kikugorō III
Nishimuraya Yohachi (Eijudō) 西村屋与八 (栄寿堂)
Deel van een triptiek dat alle betrokken acteurs afbeeldt in formele kleding. Het Waseda Tsubouchi Memorial Theatre Museum heeft een volledige set (inv. nos. 120-0014, 120-0052, & 120-0053).
Sawamura Tōzō in de rol van Kataoka Kōzaemon, Ichiyama Shichizō als Kaguya Saijirō, en, maar eens in je leven, Ichikawa Yaozō als Obiya Chōzaemon
Wakasaya Yoichi (Jakurindō) 西村屋与八 (若林堂)
Perspectiefplaatje van de Trouwe Dienaren akte V
Ichikawa Danzaburō en Ichikawa Aragorō in onbekende rollen
Izumiya Ichibei (Kansendō) 和泉屋泉市 (甘泉堂)
Pentaptiek van de hoofdtstraat in de bordelenwijk Yoshiwara
Tsuruya Kinsuke (Sōkakudō) 鶴屋金助 (雙鶴堂)
Matsumoto Kōshirō als Chūdon en Iwai Hanshirō als Oyatsu
Hayashiya Shōgorō 林屋庄五郎
[Bandō Hikosaburō IV in de rol van] Katsuzagi Chōkichi en [Ichikawa Kodanji IV als] Tōgo of Asakura Village
Enshūya Hikobei 遠州屋彦兵衛
Middelste deel van een triptiek
[De acteur Onoe Kikujirō II als] Kumewaka Katsuma, in werkelijkheid Innami Katsuma, met twee ondersteunende kind-acteurs
Izumiya Ichibei (Kansendō) 和泉屋市兵衛 (甘泉堂)
Sakata Kintoki
Maruya Jinpachi (Enjudō) 丸屋甚八 (円寿堂)
Ichikawa Gonjūrō, Ichikawa Kodanji IV, en een onbekende acteur voeren een Leeuwendans uit
Surugaya Sakujirō 駿河屋作次郎
[Iwai Kumesaburō III in de rol van] Ushiwakamaru en [Nakamura Kan’emon I in de rol van] Satoru Zenmon(?)
Yamaguchiya Tōbei (Kinkōdō) 山口屋藤兵衛 (錦耕堂)
Rechterblad: Arashi Otohachi III in de rol van Yamakaze Hirama (山風平馬), Bandō Takesaburō IV als Itsuya Tōji (逸弥藤次), Bandō Hikosaburō IV als Iwaki Tōma (岩木當馬) Middenblad: Ichikawa Kodanji IV als Ishikawa Goemon (石川五右衛門), Seki Kasuke als zijn zoon Gorōichi (倅五郎市) Linkerblad: Onoe Kikujirō II als Oritsu (おりつ) en Morita Kan’ya XI als Iwaki Hyōbu (岩木兵部) Ishikawa Goemon (1558–1594) was een semi-legendarische bandiet en volksheld die stal van de rijken en gaf aan de armen. Hij en zijn zoon werden veroordeeld tot levend gekookt worden nadat hij een mislukte poging had gedaan de krijgsheer Toyotomi Hideyoshi te vermoorden. Volgens een populaire legen wist hij zijn zoon te redden door hem boven zijn hoofd te houden en zo lang mogelijk het kokende water te weerstaan. Deze heldendaad overtuigde zijn beulen om de jongen te sparen. Goemon was een enorm populair personage in het volkstoneel en de populaire literatuur.
[De acteur Ichikawa Kodanji IV als] Ishikawa Goemon die levend wordt gekookt
Deze Tataarse boogschutter is herkenbaar aan zijn kenmerkende muts met bontrand. Hij is afgebeeld met een rijkelijk versierde uitrusting: zowel zijn jasje als zadel heeft een complex patroon. De uitrusting van het paard is versierd met decoratieve metalen ronde platen. De schutter rijdt door een rotslandschap, terwijl hij zijn boog gereedhoudt. Tata of Dattajin waren de Japanse namen voor alle stammen uit de gebieden ten noorden en noordoosten van China. Al in de vijfde eeuw waren zij als Tata bekend in Japan. Daaronder vallen onder andere het volk dat wij ‘Tataren’ noemen, maar ook veel andere volkeren die in dit gebied leefden. De klederdracht van deze figuur lijkt eerder op die van het Jurchen-volk. Voor verdere informatie over de afbeelding van buitenlanders in snijkunst, zie ons collectie-verhaal: Hollanders in Japanse snijkunst. Deze netsuke heeft één koordgat van onderen, in het midden van het rotslandschap: tijdens gebruik werd het koord hier doorheen gehaald en dan tussen de benen van het paard gestoken om een lus te vormen. De 'min' van Shōminsai lijkt geschreven met een niet elders geregistreerd karakter: andere snijders met deze naam signeerden met 松民斎 of 松眠斎.
Tataarse boogschutter te paard
Deze breedlachende Portugees is afgebeeld met een grote, zwarte baard. In Japanse afbeeldingen van buitenlanders uit de vroege 17e eeuw zijn regelmatig Jezuïeten in hun zwarte soutanes afgebeeld. Het lange gewaad van deze Portugees doet hieraan denken. Voor verdere informatie over de afbeelding van buitenlanders in snijkunst, zie ons collectie-verhaal: Hollanders in Japanse snijkunst. De ogen van de figuur en de twee knopen op zijn gewaad zijn van hoornkoraal. Een vergelijkbaar figuur in identieke pose uit de Werdelmann-collectie is beschreven in Jirka-Schmitz (2005, nr. 28, p. 24).
Lachende Portugees
Deze breedlachende Portugees heeft een hond op schoot, die hij aan het strelen is. Hij is afgebeeld met een grote baard en rijkversierde kleding: zijn jas heeft spiraalpatronen en hij draagt daaronder nog een rok met een plantmotief. Met zijn rechterhand houdt hij zijn hoed aan een touwtje vast. Voor verdere informatie over de afbeelding van buitenlanders in snijkunst, zie ons collectie-verhaal: Hollanders in Japanse snijkunst. De ogen van de Portugees en zijn hond waren ingelegd met hoornkoraal. Het rechteroog van de hond ontbreekt.
Portugees met een hond
Een Tataarse boogschutter die omhoog tuurt, met zijn boog over de schouder en een pijl in zijn hand. Zijn pijlenkoker, goed gevuld, zit op zijn rug. In plaats van de muts met bontrand, waarmee Tataren vaak worden afgebeeld als netsuke, heeft hij een rond, rieten hoedje op. Tata of Dattajin waren de Japanse namen voor alle stammen uit de gebieden ten noorden en noordoosten van China. Al in de vijfde eeuw waren zij als Tata bekend in Japan. Daaronder valt onder andere het volk dat wij ‘Tataren noemen’, maar ook vele andere volkeren die in dit gebied leefden. Voor verdere informatie over de afbeelding van buitenlanders in snijkunst, zie ons collectie-verhaal: Hollanders in Japanse snijkunst.
Tataarse boogschutter te voet
Deze Hollander is afgebeeld met een vreemd grijnzend gezicht en krullend haar. Hij heeft een lang gewaad aan, versierd met een motief van doorns. Met een hand houdt hij een trommel vast, met de andere een kind dat over zijn schouder hangt. Het kind trekt speels aan een koord dat vastgebonden zit aan de trommel. Zulke kinderen zijn vaak afgebeeld in netsuke en staan bekend als karako, oftewel 'kinderen uit de Chinese Tang-dynastie'. Ze symboliseren de onschuld en vreugde van de kindertijd en zijn te herkennen aan twee plukjes haar aan beide kanten van hun hoofd. De plukjes zijn vaak, net zoals hier, ingelegd met hoornkoraal. Voor verdere informatie over de afbeelding van buitenlanders in snijkunst, zie ons collectie-verhaal: Hollanders in Japanse snijkunst. Masatomo was een snijder uit Ise, actief van 1830 tot 1853. Hij wordt o.a. beschreven in Bushell (1961, p. 258, cat. 627) en Davey (1974, p. 492, cat. 1475).
Hollander met een kind op de rug en een trommel
Deze Hollandse dame is op stap, met haar hond aan de lijn. In haar hand draagt ze een handtas en op haar hoofd een brede hoed, waarvan een stukje is afgebroken. Onder haar jurk draagt ze schoentjes met een hoge hak. Deze netsuke komt hoogstwaarschijnlijk uit de periode dat Japan weer geopend was voor buitenlanders, grofweg rond 1860. Voor die tijd werden buitenlandse vrouwen niet toegelaten in Japan. Mannelijke Nederlanders en Chinezen waren de enige buitenlanders die er mochten verblijven, exclusief op kleine handelsposten in Nagasaki. Voor verdere informatie over de afbeelding van buitenlanders in snijkunst, zie ons collectie-verhaal: Hollanders in Japanse snijkunst. De snijder, Kazuyuki, wordt ook genoemd in Bushell (1961, p. 238, cat. 359; getranscribeerd als Isshi) en in Jirka-Schmitz (2005, p. 308, cat. 701). In beide gevallen lijkt het karakter 之 anders gesneden dan bij dit exemplaar; mogelijk gaat dit om een andere snijder met dezelfde naam.
Hollander met een brede hoed en een hond
Deze Hollander heeft een hond onder zijn arm. Zijn trekken zijn minder overdreven weergegeven dan bij veel soortgelijke netsuke. De kledingstijl, bestaande uit een lange jas met daaronder een pofbroek en laarzen, komen we ook tegen in verschillende Japanse schilderingen van de Nederlandse handelspost Deshima in Nagasaki. Voor verdere informatie over de afbeelding van buitenlanders in snijkunst, zie ons collectie-verhaal: Hollanders in Japanse snijkunst. De ogen van de Hollander en zijn hond zijn allebei ingelegd met barnsteen. Deze netsuke is een ‘nep-netsuke’: een wat modernere reproductie, gemaakt voor de westerse markt en nooit daadwerkelijk als netsuke gebruikt, hoewel hij authentiek moet lijken. Dat hij ‘nep’ is, is te zien aan het gebrek aan slijtage, het gebrek aan verkleuring in het ivoor en de stijl van het snijwerk.
Hollander met een hond onder de arm
Deze Hollander, herkenbaar aan zijn krullende pruik, heeft een wat mollig gezicht. Hij heeft wild gevangen - wellicht een zwijnen- of hertenjong - dat hij over zijn schouders heeft liggen en vasthoudt bij de poten. Het patroon op zijn gewaad hoort twee opkomende golven voor te stellen, wat vaker voorkomt in netsuke van Hollanders: vergelijk bijvoorbeeld SH2025-LP-205. Voor verdere informatie over de afbeelding van buitenlanders in snijkunst, zie ons collectie-verhaal: Hollanders in Japanse snijkunst. De twee knopen op zijn gewaad zijn ingelegd met hoornkoraal. Hollanders met dit motief komen vaker voor als netsuke. Een exemplaar in nagenoeg identieke pose (ook met opkomende golven op zijn gewaad) is afgebeeld in Davey (1974, p. 347, cat. 1046).
Hollander die gevangen wild draagt
Deze Hollander kijkt met opgetrokken lip naar voren, een grote haan in zijn armen. Hij is herkenbaar als Hollander aan zijn krullende pruik en overdreven gelaatstrekken. Hij draagt een hoed met een grote veer. Het patroon op zijn gewaad hoort twee opkomende golven voor te stellen, wat vaker voorkomt in netsuke van Hollanders: vergelijk bijvoorbeeld SH2025-LP-204. Voor verdere informatie over de afbeelding van buitenlanders in snijkunst, zie ons collectie-verhaal: Hollanders in Japanse snijkunst. Hollanders worden vaak afgebeeld met grote hanen. Mogelijk kwam dit omdat de hanenvechtsport een populair tijdverdrijf was van de Nederlanders die in Japan verbleven. Een exemplaar in nagenoeg identieke pose (ook met opkomende golven op zijn gewaad) is geïllustreerd in Davey (1974, p. 346, cat. 1043).
Hollander met een haan
Deze Hollander is afgebeeld met schele ogen, een vreemde frons en een wilde driepuntige baard. Zijn gewaad heeft een wolken-motief, wat op kleding vaak geassocieerd wordt met Chinese figuren. In zijn rechterhand heeft hij een schalmei vast. Dit houten blaasinstrument heeft een hard, doordringend geluid en was vooral populair tijdens de Renaissance in Europa. Bij netsuke wordt het bijna altijd geassocieerd met Hollanders. Voor verdere informatie over de afbeelding van buitenlanders in snijkunst, zie ons collectie-verhaal: Hollanders in Japanse snijkunst. Het puntje van zijn hoed is ingelegd met hoornkoraal. De linkerhelft van zijn baard is deels afgebroken.
Hollander met een schalmei
Deze figuur stelt waarschijnlijk een inwoner voor uit een van de eilandgroepen ten zuiden van Japan. In tegenstelling tot buitenlanders uit het westen of China worden deze eilanders vaak afgebeeld op blote voeten of sandalen, met lang, steil haar en gekleed in weinig meer dan lendendoeken. Deze eilander is aan het vissen geweest: een populair motief in netsuke van eilanders. Hij heeft een speer in zijn rechterhand en een vis in de linker. Op zijn hoofd heeft zich een octopus vastgezet. Voor verdere informatie over de afbeelding van buitenlanders in snijkunst, zie ons collectie-verhaal: Hollanders in Japanse snijkunst. De ogen van de octopus en de vis zijn ingelegd met een metaal, mogelijk koper.
Vissende zuidzee-eilander
Deze Hollander ondersteunt met zijn rechterhand een kind op zijn rug en houdt met zijn linkerhand een masker en kleed vast voor de leeuwendans. De leeuwendans wordt weinig geassocieerd met Hollanders, maar de gekrulde pruik en overdreven gelaatstrekken van zijn gezicht zijn onmiskenbare kenmerken van Hollanders in netsuke. Zulke kinderen zijn vaak afgebeeld in netsuke en staan bekend als karako, oftewel 'kinderen uit de Chinese Tang-dynastie'. Ze symboliseren de onschuld en vreugde van de kindertijd. Ze zijn doorgaans te herkennen aan twee plukjes haar aan beide kanten van hun hoofd, maar deze heeft er maar één, pal bovenop. Verder heeft hij een trommel in zijn hand. Deze plukjes haar zijn vaak, net zoals hier, ingelegd met hoornkoraal. Ook de ogen van het leeuwendans-masker en de knopen van het kleed zijn hiermee ingelegd. Voor verdere informatie over de afbeelding van buitenlanders in snijkunst, zie ons collectie-verhaal: Hollanders in Japanse snijkunst. Masakazu (正一) was een populaire artiestennaam onder netsuke-snijders, omdat de karakters eenvoudig te graveren waren. Waarschijnlijk betreft dit een werk van dezelfde Masakazu als beschreven in Jirka-Schmitz (2005, p. 311), namelijk een werkplaats in Kyoto vroeg in de 19e eeuw: de signatuur is identiek aan die van cat. 102 en het leeuwendans-masker is in dezelfde stijl gesneden als die van cat. 302.
Hollander met een kind op de rug en een leeuwendans-masker
Deze Hollander is herkenbaar aan zijn lange, krullende haar en overdreven gelaatstrekken. Hij draagt een monnikspij, versierd met een bloempatroon. Hij heeft een trommel over zijn schouder geslagen, waarvan het koord naar beneden bungelt. Er hangt een kind aan zijn knieën die aan het koord van de trommel trekt om het instrument in handen te krijgen. Zulke kinderen zijn vaak afgebeeld in netsuke en staan bekend als karako, oftewel 'kinderen uit de Chinese Tang-dynastie'. Ze symboliseren de onschuld en vreugde van de kindertijd en zijn te herkennen aan twee plukjes haar aan beide kanten van hun hoofd. De plukjes zijn vaak, net zoals hier, ingelegd met hoornkoraal. Voor verdere informatie over de afbeelding van buitenlanders in snijkunst, zie ons collectie-verhaal: Hollanders in Japanse snijkunst. Er zijn meerdere netsuke-snijders bekend die hun werk signeerden met Masatomo (正友). Gezien de leeftijd van dit exemplaar is het waarschijnlijk gesneden door de Masatomo die laat in de 18e eeuw in de regio van Osaka en Kyoto actief was (zie Davey, 1974, p. 492, cat. 1475).
Hollander met een kind aan de knieën en een trommel
Deze Hollander is te herkennen aan zijn krullende pruik en overdreven gelaatstrekken. In zijn rechterhand heeft hij een schalmei vast. Dit houten blaasinstrument heeft een hard, doordringend geluid en was vooral populair tijdens de Renaissance in Europa. Bij netsuke worden ze bijna altijd geassocieerd met Hollanders. Met zijn linkerhand ondersteunt hij het kind dat op zijn rug zit. Zulke kinderen zijn vaak afgebeeld in netsuke en staan bekend als karako, oftewel 'kinderen uit de Chinese Tang-dynastie'. Ze symboliseren de onschuld en vreugde van de kindertijd en zijn te herkennen aan twee plukjes haar aan beide kanten van hun hoofd, al ontbreken die bij dit exemplaar. Voor verdere informatie over de afbeelding van buitenlanders in snijkunst, zie ons collectie-verhaal: Hollanders in Japanse snijkunst.
Hollander met een kind en een schalmei
Deze pijpendrager is gesneden in de vorm van een buitenlander, herkenbaar aan zijn overdreven gelaatstrekken. Hij heeft een kalebas aan zijn mond en staart scheel met wijde ogen naar voren. De pijpen die tijdens de Edo-periode (1603-1868) in gebruik waren heten kiseru. Ze zijn meestal loodrecht met een scherpe hoek omhoog aan het verre eind. Om deze bij gebrek aan zakken mee te kunnen dragen werd de kiseru-zutsu (pijpendrager) uitgevonden. Die heeft gaten om een koord aan vast te knopen, waardoor hij aan de brede stoffen ceintuur (obi) kon worden bevestigd. Bij dit exemplaar zit dit gat in de hoed van de figuur. Vaak werden pijpen ook gezien als pronkstukken. Tabak was duur omdat het geïmporteerd moest worden. Het prominent dragen van een pijp door middel van een versierde pijpendrager was dus een manier om te laten zien dat je van goede stand was. Hoogstwaarschijnlijk is dit exemplaar nooit echt als pijpendrager gebruikt. Rond het eind van de 19e eeuw werden sigaretten geïntroduceerd in Japan. Kiseru-pijpen werden hierna nauwelijks meer gebruikt.
Pijpendrager in de vorm van een buitenlander
Veel dieren hebben een speciale betekenis in Japan. Karpers bijvoorbeeld: zij staan symbool voor schoonheid, voorspoed en doorzettingsvermogen. Vaak ontstond deze symboliek vanwege een associatie van het dier met beroemde oude fabels. De bekendste fabel van de karper is van Chinese oorsprong. Ergens in China zou een grote waterval zijn met daar boven de ‘Poort van de Draak’. Karpers, die van nature geneigd zijn tegen de stroom in te zwemmen, probeerden zich tevergeefs de waterval op te werpen en werden hieromuitgelachen door de andere vissen. Na vele jaren was er een karper die het wel lukte. Zodra hij bovenaan de waterval kwam, veranderde hij in een draak als beloning voor zijn doorzettingsvermogen. Kobayakawa Kiyoshi (1899-1948), de schilder van dit kunstwerk, is veelal bekend van zijn houtblokprenten in moderne stijl. Hij focuste op de moga: moderne jonge meiden, die zich in de roaring twenties afzetten tegen traditionele normen in Japan. Deze sobere schildering van een karper op zijde is een uitzonderlijk stuk in zijn oeuvre.
Karper
Twee ratten op gerstetakken
Os met een rustend kind
Tijger onder een bamboestruik
Zittende haas
Draak gekruld op een olifantstand
Verwikkelde slang en aap
Steigerend paard met een verzorger
Geit die zich uitstrekt
Langstaartige haan
Wilde hond met een schildpad
Liggend zwijn
Haan op een 'klachten'-trommel
Aap die uit een kastanje kruipt
Rat op een versierde waaier
Shishi-leeuw met een rots en een juweel
Karako-kind met een langstaartige schildpad
Shishi-leeuw versopt in een pioenstruik
Tengu met een chrysant
Kirin met opgeheven kop
Vrouwelijke geest naast een lamp
Tenaga langarm-demon met een gevangen octopus
Vrouw liggend op een reishoed
Maskermaker met een hannya-demonmasker
De abt Chōgen, hoog op zijn paard II
Sennin met een staf en een scepter
Geluksgodin Okame met een poes
Geluksgod Ebisu met een octopus en gevangen brasem
Tabakszak die aan een netsuke in de vorm van geluksgod Daikoku hangt
Aap gegrepen door een octopus
Een zich vlooiende aap
Aap met een perzik op de rug
Aap die hoort, ziet, en zwijgt
Aap met een gevangen octopus
Aap op een schelp met een krab
Aap met een zeer been
Aap op een kalebas
Aap op een perzik
Aap op een krab
Aap op de rug van een hert
Verbaasde aap met een vondst
Aap met een hannya-demonmasker
Aap gekleed als een krijger
Aap gekleed als een Sanbasō-danser
Apentrainer met een stok
Twee apen op een vlot
Aap op een omgekeerde paddenstoel
Aap met een perzik
Aap met een schildpad
Aap in gebogen bamboe
Rustende apentrainer met een aap op de rug
Aap op een rots
Octopus in een kom
Octopus verstrikt in een schelp
Octopus belaagd door een kat II
Octopus belaagd door een kat I
Verwikkelde octopus en kat
Rustende vissersjongen met een ontsnappende octopus
Octopus met een gevangen parelduikster
Baku-kop
Octopus met een gevangen meerval
Fukura-mus
Zeekat
Octopus op een everzwijn-slagtand
Kat op een gevangen karper
Kat jagend op een knaagdier
Kat in Shibayama-stijl
Kat met een gevangen knaagdier
Kat met een karperskop
Tengu met een dichtgeslagen verenkleed
Kappa die uit een ei kruipt
Tengu broedend op een ei
Langharige zeemeermin
Zeemeermin met een tritonschelp
Kat naast een gevangen karper
Kinkō op een karper II
Gama sennin op een pad
Drie kikkers die armpje drukken
Gama Sennin met een vierpotige pad I
Gama Sennin op een vierpotige pad
Kikkers vechtend op een reishoed
Kappa verstrikt in een schelp
Vleermuis in een potvistand
Hazen die een zak meenemen
Opgekrulde rat
Rat verstrikt in het koord van een rolschildering
Rat op de zak van Daikoku
Rat op een tros touw
Rat met twee jongen
Rat op een rijstbaal
Rat op een rolschildering
Rat op een paar kastanjes
Waaier met het Schattenschip
Kinu met een stamper op de maan
Kinu die een levenselixir brouwt
Kuiken in een ei
Kraanvogel met een schildpad bij een pruimenboom
Mus 'met gesneden tong' I
Zwaan
Baku
Shishi-leeuw met een poot rustend op een juweel
Shishi-leeuw kruipend uit een ei
Zittende shishi-leeuw met een open bek
Shishi-leeuw met een pup en een juweel
Shishi-leeuw met een pup
Shishi-leeuw met een juweel in de poten
Man die een vrucht schoonboent
Benkei met een schelphoorn
Blinde man tilt een steen
Benkei lezend in een schelphoorn
Bedelmonnik met een shakuhachi-fluit
Hotei in zijn zak
Aap op een gezadeld paard
De abt Chōgen, hoog op zijn paard I
Gezadeld paard met apen
Aap op een liggend paard
Buste van een paard
Chōkarō sennin's paard die uit de kalebas komt
Liggend paard met een aap II
Paard gevangen in een spinnenweb
Liggend paard
Liggend paard met een aap I
Sennin met een staf en een mand
Kanu met een hellebaard
Chōkarō sennin met zijn kalebas
Sennin met een kraanvogel
Gama Sennin met zijn pad I
Gama Sennin met zijn pad II
Chōkarō Sennin met zijn paard op de rug
Gama Sennin met een staf
Gama Sennin met vier padden
Sennin met een paddenstoel op de rug
Tenaga langarm-demon op de rug van een ashinaga langbeen-demon
Tōbōsaku Sennin met een paleis in zijn perzik
Gama Sennin met een vierpotige pad II
Sennin met een kind die een tekst vasthoudt op de rug
Rakan met een vliegenkwast
Boer met een strobundel
Man met een kalebas
Sennin met een bladerkleed en een kalebas
Sennin met een gevlochten mand
Lachende apentrainer
Kitsune met negen staarten
Vos die de vossendans doet
Wasbeerhond met een fles sake
Liggend hert
Wasbeerhond gekleed als een monnik
Mopshond op een wapenrusting
Een demon, wenend op de afgehakte arm van Ibaraki-dōji
De rechter Ōba, in slaap gevallen I
Daruma die door een kind wordt voortgerold
Kinkō op een karper I
Twee peulen edamame
Groep weekdieren
Vrouwelijke godheid, door een kraanvogel voortgetrokken
Vrouw die de vloer schoonmaakt
Boot
Gevleugelde draak I
Gevleugelde draak II
Bamboe
Mopshond met een bal
Wasbeerhond met een bladerhoed
Shishi-leeuw op een voetstuk
Tijger op een reuzenbamboe
'Houten vis'-tempelbel en vliegenkwast
Draak die uit bamboe tevoorschijn komt
Opgekrulde draak
Regendraak
Tijger die achterom kijkt
Okame tijdens het setsubun-ritueel
Hakutaku
Fukurokuju met een vlieg op zijn hoofd
Jurōjin zittend met zijn schriftrol
Jurōjin met een staf en een schriftrol
Fukurokuju's oor wordt schoongemaakt
Fukurokuju en Daikoku
Fukurokuju met een schriftrol
Zittende man
Shishi-leeuw, in balans op zijn juweel
Mus 'met gesneden tong' II
Kaichi
Amaryū
Drie pelgrims bij de Tenpōzan-pilaar
Vos in mensengedaante
Gama Sennin als netsuke, vergezeld van een inrō versierd met Tekkai Sennin en Gama Sennin
Chōki met een gevangen duivel in zijn ton
Gapende man
Uitrustende maskerverkoper
Demon op een zak met daarin nog een demon
Spiegelpolijster
Sennin op een rots
Jongen die op een sakevat klimt
Man die tevergeefs een sideraal probeert te vangen
De rechter Ōba, in slaap gevallen II
Demon die een ketel poetst
Twee kinderen met een leeuwenmasker
Daikoku op een rijstbaal met een hamer
Wagenwielmaker
Jongens met een kaurischelp
Bunbuku chagama
Jongen met een fret
Kintarō die met een beer worstelt
Twee karako-buitelaars
Boer die met zijn hond een geldschat opgraaft
Kappa die een man laat schrikken
Daruma in een tobbe, gewassen door een bekeerde duivel
Fukurokuju met een os en een kind
Jongen en zijn leraar aan een bureau
Karako-jongen met een tijger
Chōryō geeft Kōsekikō zijn verloren schoen
Karako-jongen op een schildpad
Krijgers in gevecht
Seiōbo op haar draak met een hoveling
Kinderen met een leeuwendanser
Ebisu en Daikoku spelen kubihiki
De Zeven Wijzen van het Bamboebos
Hofdanser met een schoudertrommel
Libelle op een verdorde lotus
Boer die de mussendans doet
Het paleis van de Drakenkoning als mirage in een schelp
Kanzan en Jittoku
Samengevoegde tweeling
Mōsō vindt een bamboescheut
Gō spelers
Man liggend in een zak
Zittende man met een woeste grimas
Korejin Sennin op zijn tijger
Rochishin op het afgehakte hoofd van zijn tegenstander
Potsenmaker laat kind schrikken
Handaka Sonja op een draak
Potsenmaker met een groen demonenmasker
De demon Kiyohime op een bel
Twee mannen met schriftrollen, achter en in een perzik
Man zittend op een pot
Man met een emmer
Chinese man met een schriftrol
Kanu met een zwaard
Gama Sennin met zijn pad III
Hannya-demon
Rustende page met kersenbloesems
Daikoku, liggend
Rustende apentrainer, met een aap in de mand
Aap op perzikbladeren
Handaka Sonja met een schriftrol
Kunstenmaker die zijn borst opblaast
Tōbōsaku met een shishi-leeuw
Gama Sennin met zijn pad IV
Karako-jongen op de zak van Hotei
Gemaskerde man met een potje op zijn hoofd
Okame (?) tijdens het Setsubun-festival
Ono no Komachi met een gedicht
Hotei op zijn zak
Busteportret van Okame
Dansende entertainer met een pop
Shōjō met een draaibaar gezicht
Niō op een strosandaal
Jongen met een nieuwjaars-Darumapop
Reukfles in de vorm van Tōbōsaku (?)
Okame naast een paddenstoel
Seiōbo met een kappa
Slaperige monnik
Sennin met een meloen
Daruma gapend met een vliegenkwast
Man met een grote bol met gaten
Handaka Sonja met een pot
Chōki jagend op een zich verschuilende demon
Man zittend op een rots
Boer met zijn oogst
Mannengezelschap
Trommelmaker
Aap met een lange staart
Hotei
Kastanjes
Haas in reliëf
Tenaga langarm-demon
Grijnzende monnik
Rat met twee jongen II
Shachioko
Bekeerde duivel
Daruma
Akiyama Buemon (Kokkeidō) 秋山武右衛門 (滑稽堂)
Nummer zes
Gemonteerde VOC-munt
<
>
×
Nieuwsbrief